De Gelderlander

Proeven, zien, horen en voelen van kunst

AMSTERDAM – Op 15 april begint de kunstmanifestatie The Art to Experience, ofwel de kunst van het beleven. T.A.To.E heeft plaats in de Graansilo te Amsterdam en exposeert op geheel eigen wijze de uitgesproken werken van elf Nederlandse kunstenaars. De bezoeker kan kunst weer horen, zien, ruiken en proeven.

Het gangbare galeriecircuit, wat moet je er nog van zeggen? De plaats waar kunst teruggebracht wordt tot verhandelbare ‘plaatjes’ die het zo leuk doen in het strakke, moderne interieur? Wie over de Herengracht loopt, passeert verschillende van die ‘kunstsupermarkten’ voor tweeverdieners. Witte muren, klassieke muziek, een dame met opgestoken haar die je vriendelijk maar indringende een goede middag wenst. De kunst is prachtig maar de sfeer is vaak beklemmend. Als bezoeker ben je eerder geneigd je laatste respect te tonen dan je te verwonderen over de schoonheid van een schilderij.
‘Galeries? Sterfhuizen van de kunst! Voorportalen des doods! T.A.To.E? Anders!’ roept projectleidster Anne Steenkamp stellig. ‘Of gewoon zoals het hoort? Kunst is het enige wat onbedoezeld zou moeten blijven, vrij zou moeten zijn van commerciële toestanden. De kunstenaar geeft uiting aan zijn geest en de toeschouwer kijkt, geniet, voelt, hoort, proeft, laat zich verbazen, vindt het mooi of afschuwelijk. We kunnen de beleving van kunst niet bepalen, wel sturen door alle zintuigen te prikkelen. Het exposeren van kunst willen we niet bepalen. Dát moet je aan de kunstenaar overlaten. Het is zijn werk, niet het mijne.’ Een lopend buffet is niet het sponzige toastje met zalm of het stopverf-achtige blokje kaas.

Tijdens de T.A.To.E kunstmanifestatie is een aantal dames gekleed in prachtige kostuums van Arlette Muschter. (Zij maakte eerder kostuums voor de VPRO-serie Quidam Quidam en de film The Hermit of Amsterdam met Burt Reynolds.) Een tafel op wieltjes rust op de heupen van de fraai uitgedoste vrouwen. Al kokend, smerend en bakkend bewegen ze zich door de ruimte en voorzien de bezoeker van hapjes. Culinair kunstenares Marlein Overakker heeft de vijf elementen water, vuur, aarde, lucht en ether als uitgangspunten genomen voor het buffet.Een kleine, prachtige vrouw met een camera op haar voorhoofd, in een slipje en bh van aluminium wordt wat vreemd nagestaard als ze langs de werken van José Boomsma loopt. De schilderijen en mensen die ze bekijkt, worden gefilmd en geprojecteerd op de vloer. Ze beweegt zich tussen glazen stolpen waarin de afschrikwekkende lijken van kippen en ander pluimvee hangen. Stekkers, elektriciteitsdraden, en computerchips steken uit de levenloze lijfjes terwijl op de achtergrond video-opnamen van kunstwerken getoond worden. Harde muziek maakt praten onmogelijk.In de volgende ruimte worden de werken van Laboratorivm getoond. Laboratorivm is een een initiatief van Robbert Jansen en Krijn van Noordwijk: twee creatieve laboranten die, met de drang tot experimenteren, diverse disciplines combineren. Laboratorivm is erg tevreden met deze kunstmanifestatie. ‘We liepen al een tijdje rond met het idee om zoiets als dit te organiseren. Ik wil niet op mijn knietjes bij een galerie met mijn werk leuren om te mogen exposeren. Naast het commerciële gedonder dat erbij komt kijken, is een galerie niet de plaats waar Laboratorivm tot zijn recht komt. T.A.To.E is voor ons de mogelijkheid om, zonder winstbejag, te exposeren zoals wij dat willen,’ vertelt Krijn van Noordwijk terwijl hij voor een schilderij van Nijntje staat en een flesje bier naar zijn mond brengt. Het is alleen niet de Nijntje die iedereen kent uit zijn jeugd. Nijntje spuit tegenwoordig en is hardstikke verslaafd.Kunstenaar Henri de Maar toont een symbiose van film, schilderkunst en muziek. Beelden worden geprojecteerd naast schilderijen. Speciaal gecomponeerde muziek moet een eenwording ondergaan met beweging en rust. Volgens Henri de Maar is T.A.To.E een grote keukentafel waar kunstenaars en kunstliefhebbers met een bepaalde visie en kracht naar toekomen om te debatteren en te beleven.

————

Winterse landschappen en Wodanseiken in werk van Koekkoek

EDE – Vanwege de tweehonderdste geboortedag van landschapschilder Barend Cornelis Koekkoek, stelde kunsthandel Simonis & Buunk te Ede de tentoonstelling Vier Generaties Schildertalent samen.

Wie bij de Edese kunsthandel Simonis & Buunk langs de ruim tachtig werken van het schildersgeslacht Koekkoek loopt, maakt een haast sprookjesachtige wandeling door de tijd. Het krachtig wassende water dat de schepen over de kolkende golven gooit, de weelderige boomkruin van een Wodanseik waarbij de mens slechts betekenisloos klein is. De mythische schoonheid van de natuur maar ook de immense kracht van het natuurgeweld. Wat zou het leven groots, meeslepend en mooi zijn als de schildersfamilie Koekkoek met haar landschappen de waarheid sprak. De tocht langs Koekkoek-landschappen en -zeeën is een grote verwondering over zestien kunstenaars van dezelfde familie.

Johannes Hermanus Koekkoek (Veere, 1778-1851) was de eerste Koekkoek die van schilderen zijn beroep maakte. Overweldigd door de weidsheid van zijn schilderijen valt de nauwkeurigheid van techniek op. J.H. Koekkoek stond dan ook vooral bekend om zijn waarheidsgetrouwe weergaven van verschillende scheepstypen. Zijn woest kolkende zeeën en schipbreuken zijn een goed voorbeeld van de Zeeuwse schildertraditie van de negentiende eeuw.
De bekendste en meest geroemde telg uit het schildersgeslacht Koekkoek is Barend Cornelis Koekkoek (1803-1862). Aanvankelijk leek hij voorbestemd om zijn vader als marineschilder op te volgen maar hij verkoos het landschap boven de woeste wateren. Hij vertrok op jonge leeftijd uit Middelburg om te studeren in Amsterdam.
Na reizen langs de Rijn, de Moezel en de Ahr, vestigde Koekkoek zich met zijn jonge gezin in het Duitse Kleef terwijl zijn broer Marinus Adrianus (1807-1868) en neven Willem Koekkoek (1839-1895) en Johannes Hermanus Barend Koekkoek (1840-1912) in Nederland de schilderseer hoog hielden.
In Kleef verwierf B.C. Koekkoek de onaantastbare status van een groot landschapschilder. In zijn oorspronkelijke woonhuis is sinds 1960 het Städtisches Museum Haus Koekkoek is gevestigd. De eerste overzichtstentoonstelling van Simonis & Buunk over het werk van de familie Koekkoek werd in 1994 in samenwerking met het Haus Koekkoek ingericht.
Gedurende de omzwervingen van Barend Cornelis door Nederland, België en Duitsland, was hij telkens op zoek naar motieven voor het romantische landschap. Aan een van de wanden, wat verstopt tussen de andere Koekkoekrijkdommen, hangt zijn bekendste, zo niet mooiste werk Winters landschap met wandelaars (1834 – collectie Simonis & Buunk). De wonderlijke winterse lichtval op de wandelaar en zijn hondje maken het tot een haast fabelachtig landschap. Anders dan bij winterlandschappen van bijvoorbeeld Andreas Schelfhout (1787-1870) of Hendrick Averkamp (1585-1634), die toch vooral ijspret met koek en zopie schilderden, laat B.C. Koekkoek de witte, stille rust van het besneeuwde landschap met een majestueuse wolkenpartij zien. De machtige Wodanseik aan de rechterzijde van de weg die de nietigheid van de mens onderschrijft, is een terugkerend element in veel van B.C. Koekkoeks werken.

Hoewel de natuurgetrouwe weergave van het landschap realistisch van aard lijkt door de nauwkeurige techniek, aandacht voor detail en de gladde, precieze penseelstreek, is er geen ontkomen aan de mythische, religieuze lading van zijn werk die je haast meezuigt het geschilderde landschap in. Of de landschappen van B.C. Koekkoek ‘romantisch’ in meest strikte zin te noemen zijn, is een moeilijke vraag. Evenals de landschappen van Abraham Alexander Teerlink (1776-1857) wijken die van Koekkoek niet veel af van de traditionele landschapschilderkunst van bijvoorbeeld Jacob van Ruisdael (1628-1682). Het werk van Koekkoek is te zeer geworteld in de realistische Hollandse schildertraditie om echt uiting te geven aan transcendentale gevoelens. Bovendien lijkt dat ook niet de bedoeling van B.C. Koekkoek te zijn geweest zoals hij schrijft in zijn boek Herinneringen en Mededeelingen van eenen Landschapschilder: “De natuur is zo gevarieerd, waarom zouden wij haar mooier willen maken door romantisch te doen?” Van de wens om te vluchten uit de werkelijkheid zoals de Engelse Romantische dichters in prachtige beelden verwoordden, is bij B.C. Koekkoek geen sprake.

Barend Cornelis krijgt vijf dochters waarvan Adèle (1838-1919) en Maria Louise (1840-1910) in de voetsporen van hun vader en moeder Elise Thérèse Koekkoek traden. Adèle zette met haar bloemstillevens de traditie van haar moeder voort, terwijl Maria Louise evenals haar vader landschappen schilderde. Het werk van Adèle Koekkoek kreeg kunsthandel Simonis & Buunk in bruikleen van Haus Koekkoek. Deze tentoonstelling, of eigenlijk kleine tijdreis, bij Simonis & Buunk is waarschijnlijk een van de weinige kansen om het werk van vier generaties Koekkoek van de marineschilderijen van stamvader Johannes Hermanus tot het meer impressionistische werk van graficus en schilder Gerard Koekkoek (1871-1956) bijeen te zien.

Tentoonstelling Vier Generaties Schildertalent. Noh t/m 6 december te zien bij kunsthandel Simonis & Buunk, Notaris Fischerstraat 30 te Ede. Open: dinsdag t/m zaterdag van 11 tot 17u. Eveneens op zondag 30 november van 12 tot 17u.

————

Kijken achter de museumdeuren

OTTERLO – In de serie De Werkplek belicht De Gelderlander beroepen die uitgeoefend worden in Het Nationale Park De Hoge Veluwe en Ouwehands Dierenpark in Rhenen. Vandaag Piet de Jonge, conservator van het Kröller – Müller museum in Otterlo.

Als klein jongetje wist Piet de Jonge (50) het al. Hij wilde kijken achter de museumdeuren waar ‘dienst’ op staat. Wat er achter die deuren gebeurde, dat moest wel zo spannend zijn… Met een gulden van zijn moeder vertrok Piet op zijn vrije middagen naar een museum om zich daar te verbazen over de kunstwerken en de reacties van de vele bezoekers. En dit gevoel van ‘thuis horen’ in het museum, raakte Piet niet kwijt. Op het Atheneum wilde hij niet zo deugen, dat leren ging niet zo soepel. Liever met zijn hoofd in een boek over kunst. Dat wiskunde mocht dan niet gaan, maar over kunst wist hij inmiddels ongelofelijk veel. Wat er na de middelbare school met hem moest gebeuren, wist Piet eigenlijk ook niet. Tot zijn leraar Engels zei: “Maar Piet, dan ga jij straks zeker kunstgeschiedenis studeren?” Kunstgeschiedenis studeren? Dat was toch vooral zijn grote liefde en hobby? Je beroep ervan maken?

De leraar Engels had hem het juiste duwtje gegeven want na vijf jaar studeerde hij af als kunsthistoricus. Al tijdens zijn studie kreeg hij, via een van de professoren, een baan aangeboden in het Van Abbemuseum in Eindhoven.

Piet de Jonge: “En ik dacht toen nog bij mezelf, ‘als ik zo’n baan nou eens heb voor ik vijfenzestig ben’, dat zou geweldig zijn.” En van het Van Abbemuseum ging Piet de Jonge als conservator naar het Boymans van Beuningen museum in Rotterdam om vervolgens zijn baan te ruilen tegen de baan als conservator van het Kröller-Müller Museum in Otterlo. “En dat is een goede keus geweest. Ik zit hier nu tweeenhalf jaar en vind het fantastisch. Ik ben ook wel een beetje verliefd geworden op Helene Kröller-Müller. Ik vind dat zo’n fascinerende vrouw. Er zitten zo veel facetten aan haar leven dat ik blij ben tentoonstellingen over haar en haar kunstcollectie te mogen samenstellen.”

————

‘We zouden toch naar het theater?’

NIJMEGEN – Het heet technotheater maar het is alsof je opeens in een film van David Lynch staat. Vier podia en een aantal acteurs dat verschillende stukjes speelt terwijl dj Lady Aida zorgt voor een goede technobeat.Wie dacht dat technomuziek uit was, zit er mooi naast. Harde, snelle beats in combinatie met theatervoorstellingen en videofilms moeten zorgen voor een cool en hip feestje. De nieuwe voorstelling van theatergroep Het Witte Vuur heet Trekhaak.

Vijf acteurs spelen vier verschillende stukken. Ieder stuk heeft wat te maken met auto’s; hét statussymbool en metafoor voor onze welvarende Westerse samenleving. Het ziet er allemaal wat vreemd uit. Een rode auto op een rooster, twee gele racestoelen op een ander podium en een aantal projectieschermen hoog aan de muren waarop een film van een snelweg bij nacht getoond wordt. De auto’s racen aan je voorbij terwijl je wordt verblind door de koplampen. De beat van de muziek dendert maar door. Het is allemaal onwerkelijk. De rode auto op het rooster? De racestoeltjes? “We zouden toch naar het theater gaan?”, zegt een man tegen een vrouw wanneer hij ondekt dat er geen zitplaatsen zijn. Dit is niet zijn idee van een theatervoorstelling.Terwijl de mensen op de muziek wat onwennig van het linker op het rechter been hippen, loopt een van de acteurs de zaal in. Deze louche autohandelaar probeert zijn auto’s aan het publiek te verkopen. “Is het dan de bedoeling dat we straks zelf mee gaan spelen? Nee toch?”, vraagt de meneer enigszins verschrikt aan de mevrouw, terwijl hij achteruitdeinst wanneer een acteur met hem wil praten. De rode auto op het rooster begint wat te schudden, de ramen beslaan. Twee van de acteurs bedrijven ongestoord de liefde en stappen weer uit. Daarna gaat een jongen uit het publiek met een van de actrices de auto in. Hij wil ook wel. Maar helaas, dat valt tegen. Terwijl hij voorin zit en een gesprek probeert aan te knopen, voert zij een solostuk op. Op het podium aan de andere kant van de zaal kleedt een jongen zich uit en begint zijn armen en benen in te tapen. Op de videoschermen wordt een film getoond van mensen die een arm missen. De ingetapte jongen wordt autocoureur.In Echt staal van Lady Di probeert een man wrakstukken van de auto van de verongelukte prinses Diana te verkopen. Op het scherm een film van autoschroot en de namen James Dean, Jackson Pollock, Aerton Senna en Lady Di. Ook de autowrakken van deze ongelukken probeert de man te verkopen.Trekhaak is een voorstelling waarbij niets hoeft. Je kijkt waar je wil, of je haalt wat te drinken, of je danst. Maar ondanks dat de vier minivoorstellingen en de videobeelden met elkaar te maken hebben, gebeurt er eigenlijk te veel. Je wil alles zien maar dat is onmogelijk, omdat er overal tegelijkertijd van alles gebeurt. En dat is jammer. Trekhaak, Theater LUX in Nijmegen, nog te zien vandaag en morgen 22.00 uur. Daarna gaat theatergroep Het Witte Vuur naar Amsterdam en speelt daar zaterdag 21 juli tijdens het Over ‘t IJ-festival

————

In Het Lokaal voelen de jongens zich thuis

ARNHEM – Met een blik bier zwerven door de stad of rondhangen in het park. Altijd op je hoede voor de politie. Met de opening van Het Lokaal hebben de Arnhemse drankverslaafden nu een vaste stek en eindelijk wat rust. Ondanks het prachtige weer druppelen de dakloze drankverslaafden langzaam Het Lokaal aan de Markt binnen. Hulpverleners Humbert Scheuer en Monica Cantos Castro verwelkomen ze hartelijk.

‘De jongens’ komen even rustig in de zon zitten of een potje darten. Humbert Scheuer legt uit waarom Het Lokaal zo belangrijk is: “Met een definitieve plaats in het centrum, hebben de jongens een plek waar ze dagelijks naar terug kunnen keren. Op die manier geef je ze rust. Hier kunnen ze de meegebrachte drank nuttigen zonder dat de politie ze het park uitstuurt of ze bekeurt. Hier zijn ze samen en hoeven ze zich voor niemand te schamen of weg te rennen. Maar het belangrijkst zijn toch de sociale contacten. Het praten met elkaar en de hulpverleners zorgt dat ze weer even rustig zijn.”Een van de vaste bezoekers komt lachend aangelopen. Hij wil onder geen enkel beding met zijn naam in de krant maar vertelt graag waarom Het Lokaal zo belangrijk is. “Een plek als deze geeft je je eigenwaarde terug. Mensen vragen hoe het met me is. Er wordt weer naar me geluisterd. Ik mag er weer zijn. Als ik het niet meer weet, praat ik met een van de hulpverleners en dan kan ik weer even verder.”De horeca aan de Markt is minder tevreden met de komst van Het Lokaal. Zij zijn bang dat de klandizie zal afnemen. Scheuer en Cantos Castro vinden deze angst onterecht. Scheuer: “Wat de boer niet kent dat eet hij niet. We zijn nog maar kort open, maar ik ben erg tevreden over de gang van zaken. De jongens willen helemaal geen heibel in de buurt. Ze willen deze plek en het gevoel van thuiskomen graag behouden. Daarnaast is de sociale controle onderling erg groot. Als er een begint te klieren, wordt hij gecorrigeerd door de anderen. Ik hoef maar zelden in te grijpen.” Cantos Castro knikt bevestigend terwijl ze vanuit haar stoel een blik naar binnen werpt om te kijken hoe het met de jongens gaat.  Al enige tijd klaagden bewoners van de binnenstad over de dakloze drankverslaafden. Volgens hen zorgden zij voor aardig wat problemen in de buurt van nachtopvang Hotel de Nacht aan de Rijnkade.In februari vorig jaar werd dat minder toen de gemeente Arnhem een drankkeet plaatste aan de voet van de John Frostbrug. De gemeente wilde met de plaatsing van deze drankkeet de overlast in de binnenstad en op de Rijnkade terugdringen. In november 2002 werd de keet verplaatst naar de hoek van het Nieuwe Plein en de Coehoornstraat. Nu, na alle omzwervingen, Het Lokaal geopend is, hebben de alcoholverslaafden van Arnhem eindelijk een permanente plek. Scheuer: “De keet werd telkens verplaatst. Niemand wist waar hij aan toe was. Nu is dat eindelijk anders. Het feit dat dit een permanente plek is, maakt dat de jongens zich thuisvoelen.”

————

De klant is koning en de hond de directrice

WAGENINGEN – De Kater is een van de oudste cafés in Wageningen. Met zijn staart zwaait hij al vijftien jaar over de markt. Eigenaren Henry Witmer en Leo Horden vieren aankomende maandag het vijftienjarige bestaan.

Meestal ligt ze in een stoel bij de ingang maar de warmte heeft de directrice verdreven naar een plekje onder de tafel. Puffend en zuchtend past de hond op ‘haar’ kater. Eigenaren Henry Witmer en Leo Horden versjouwen in de tussentijd de kratten en fusten. Het is ‘s morgens nog rustig in het café dus even aanpoten. Het terras zit namelijk, ook met extreme hitte, tegen de middag weer vol.  Terwijl een dampende bak koffie de ochtend smaak geeft en de voorbijgangers Henry en Leo groeten, vertellen zij het verhaal van vijftien jaar De Kater.
Toen zij in 1988 begonnen met De Kater aan de Markt, ging dat niet vanzelf. Twee mannen die een kroeg begonnen, dat wordt toch niks, zo dachten velen. “Dat wordt vast een homotent”, riepen Wageningers bevooroordeeld. Het oorspronkelijke ontwerp van de architect – roze muren en een zwart marmeren bar – is wijselijk veranderd. Het oude pand van het Wageningse studentensociëteit Ceres werd verbouwd tot stijlvolle kroeg. Zonder personeel en met slechts vier terrasstoelen openden Henry Witmer en Leo Horden op 11 augustus 1988 vol trots de deuren van De Kater. Vanaf de eerste dag is het een continu komen en gaan van mensen. Oudere dames, stellen met kinderen, studenten en groepjes jongeren. Iedere voorbijganger neemt ‘even’ een bakkie of steekt zijn hand op. De groep dames die op maandag komt, gaat er vanuit dat Leo er is om ‘even’ een babbeltje mee te maken.
“In het eerste jaar hebben we eigenlijk aan één stuk door gewerkt. We zijn begonnen zonder personeel en moesten dus alles zelf doen. Als we op maandag gesloten waren, hadden we het druk met de administratie. Even rustig aan doen, heeft er eigenlijk nooit ingezeten.” Hoewel er inmiddels een kleine twintig man personeel rondloopt in De Kater, komt het sindsdien nog maar zelden voor dat Henry en Leo ‘s avonds samen eten. “Je bent altijd druk. Iedere dag ervaar ik De Kater weer als een enorme verantwoordelijkheid.” De afgelopen jaren is het leven van Leo en Henry ook niet rustiger geworden. Na De Kater werd in 1995 het aangrenzende café De Tijd geopend. In dezelfde periode werd eveneens restaurant Het Gesprek geopend en weer verkocht. Drie horecagelegenheden bleek wat te veel van het goede. Leo en Henry zijn niettemin tevreden. “Trots? Ach, je werkt iedere dag aan de naam die je in de afgelopen jaren hebt opgebouwd”, vertelt Henry Witmer. Trots lijkt hij te zijn op de kleinere dingen. Zo haalt hij met een glimlach de Illy trofee voor de beste koffie, die De Kater in 1995 won, tevoorschijn. Een minuut later is hij weer van zijn stoel, met sigaret in de hand komt hij weer terug met een oude ingelijste foto van het oorspronkelijke pand dat op de plek stond van café De Tijd. “In de loop der jaren is het aan de markt aardig veranderd. Er is niet alleen meer horeca, maar aan het plein zelf is ook flink gesleuteld. Niet altijd ten goede”, meent Leo.”In de winter is het hier net of je op een kazerne bent,” onderbreekt Henry. Hoewel hij over De Kater tevreden is, kan het met de Wageningse markt vele malen beter. Een serre aan de gevel van De Kater is een van zijn wensen. “De gemeente Wageningen maakt het je echter niet makkelijk om een vrije ondernemer te zijn. Overal zijn, ondemocratische, regels voor, overal bemoeien ze zich mee en de markt wordt er niet beter van”, verzucht Henry. Niettemin, de sfeer in De Kater is goed. De directrice bekijkt het van onder haar tafel. Tegen het middaguur loopt het, zoals voorspeld, langzaam vol.

————

‘Wat! Heeft Wageningen geen treinstation!?’

WAGENINGEN – De algemene introductie voor de aankomende eerstejaars studenten in Wageningen is van start gegaan. Bij studentenvereniging KSV konden de eerstejaars onder het genot van een biertje zich inschrijven.

Het gedonder begint al bij de informatiebalie van de NS in Arnhem. Verbaasd en lichtelijk ontzet roept een van de aankomende eerstejaars: “Wat! Heeft Wageningen geen treinstation?! Hoe moet dat nou?”
De dame achter het loket vertelt haar geduldig dat Wageningen met de bus ook prima te bereiken is. De goedkeuring van de onthutste eerstejaars heeft het echter niet “Waar ben ik aan begonnen? Wat een dorp!”, klinkt het door de stationshal.
En zo verwordt studeren in de grote stad plotsklaps tot een busritje naar het ‘dorp’ Wageningen. Op weg naar minimaal vier jaar studeren. Maar wat is in Wageningen waar? En hoe kom ik er dan met welke bus? Ben ik er met een half uur, buschauffeur? Wanneer Wageningen eindelijk met veel te volle weekendtas via Oosterbeek, Heveadorp, Doorwerth en Renkum bereikt is, is het gezoek en gedwaal nog lang niet ten einde. Vind nu maar eens een van de inschrijfpunten. De echt slimme eerstejaars heeft een plattegrond van Wageningen op de kop getikt en loopt met gezwinde spoed naar een van de vier inschrijfpunten. Op tijd en als een van de eersten wordt deze student door enthousiaste mentoren ontvangen. De student zonder kaart loopt nog zuchtend en steunend over het Wageningse busstation. Maar niet voor lang. Gelukkig hebben ze bij de Wageningse studentenvereniging KSV achter het busstation een groot spandoek opgehangen. De geel-blauwe KSV-caravan en de tap voor de deur zijn moeilijk te missen. Aansluiten achter in de rij bij het inschrijfkraampje en rustig afwachten op wat er op je af zal komen. In ieder geval is het bier dichtbij. “Een goed begin is tenslotte het halve werk”, verzucht een van hen in de rij.Terwijl Connexxion-bussen in gestaag tempo hapjes nieuwe eerstejaars uitspuwen, staat bij het KSV inschrijfkraampje een korte maar constante rij. Martin vertrok vanochtend met zijn moeder uit het Brabantse Erp. Hij heeft zich net ingeschreven voor de introductieweek. Met volle tas laat zijn moeder hem achter. Nu gaat het echt beginnen. Maar Martin is allesbehalve zenuwachtig. “Ik heb eigenlijk liever vakantie maar ach, we zien wel.”De introductieweek en zijn studie dierwetenschappen zijn eigenlijk ook wel leuk. “Een slaapplaats heb ik ook nog niet maar dat komt vast wel goed.” Bij het ‘nood-slaapplaats kraampje’ is het rustig. Geen eerstejaars te bekennen. De nood blijkt niettemin hoog te zijn. “Maar ja, als er te veel mensen zijn zonder slaapplaats dan zetten we gewoon een legertent op”, weet een van de ouderejaars achter de kraam te melden.Wie echter denkt dat het nu gedaan is met het gezwerf en gezoek, zit ernaast. Het zal de komende weken wel zo blijven. En eigenlijk is er ook niets zo leuk als dat; door de introductieweek en de eerste ‘echte’ studieweken Wageningen te leren kennen. Maar rustig aan. Eerst even een paar dagen genieten van een nieuwe stad.

————

Pareltje op het Edese kerkplein

De liefde voor edelmetalen laaide dertig jaar geleden in alle hevigheid op en is tot op heden niet bekoeld. Edelsmeden Hansje en Jaap Joritsma uit Ede zitten dertig jaar in het vak. Precies twee jaar geleden openden ze hun winkel aan het kerkplein in Ede.

De bomen rondom de kerk lijken naar binnen te lopen. Alsof ze even willen zien wat er bij edelsmid Jorritsma in de vitrines blinkt. Jaap en Hansje Jorritsma begonnen in 1977 na hun opleiding en een stage in het Zwitserse Genève met een atelier aan huis. Nu zitten ze, na een ingrijpende verbouwing, aan het kerkplein in Ede. Ondanks een grote vaste klantenkring uit heel het land, hebben ze niet de behoefte om meer winkels te openen in grotere steden of te verhuizen uit Ede. “Ede is als stad soms middelmatig maar het ligt centraal en heeft een prachtig buitengebied. Bovendien is Ede niet alleen werk maar ook thuis en dat is heel makkelijk,” oordeelt Jaap Jorritsma lachend. “De klanten die wij hebben komen van overal en bereiken ons toch wel. We bedienen als edelsmeden maar een relatief kleine groep maar ik denk dat we die, binnen onze stijl, wel helemaal beheersen. Het kunstklimaat in Ede is anders dan in grotere steden maar we zijn lid van twee kunstenaarsvereninigingen, van Van de Ploeg in Amersfoort en van Platform Edese Kunstenaar (PEK) en daar vind je ook de nodige inspiratie, gesprekken en prikkelingen.” Van een slechte economie hebben Hansje en Jaap Jorritsma weinig last ondervonden. Hansje: “Vaak zijn mensen die bij ons kopen al op zoek naar iets bijzonders en weten ze al wat ze daarvoor willen betalen.”

Op de vraag of een edelsmid kunstwerken maakt zijn Hansje en Jaap Jorritsma eensgezind. Hansje: “Ieder sieraad is een kunstwerkje met een eigen verhaal. Het is eigenlijk net als met beeldhouwen. Terwijl ik aan een sieraad werk, ontvouwt het zich onder mijn handen. Daarnaast is ook niet ieder materiaal hetzelfde. Met goud werk je anders dan met zilver.” “Psychologische voorzichtigheid is dat, omdat goud kostbaar is,” vult Jaap aan. “Vroeger werkte we ook anders dan nu. Toen wij van school kwamen, waren we ambachtslieden. En een ambachtsman maakt een ontwerp, vraagt zich af of het technisch haalbaar is en maakt zijn product conform het ontwerp. Een kunstenaar laat zich veel meer leiden door de ideeën . ” Hansje: “Wel gaat het altijd, net als bij een ambachtsman, om details, nauwkeurigheid, precisie en perfectionisme. Elk sieraad wordt nauwkeurig afgewerkt. Een ketting waar je lang aan hebt gezeten, voorzie je niet zomaar van een willekeurig slotje.”

De kleurige, weelderige schilderijen van de Edese kunstenaar Marcel Verbrugge contrasteren met het wat sombere zomerweer. Eens in de zoveel tijd wisselen de schilderijen aan de wanden van de winkel. “We vragen een kunstenaar te exposeren in onze winkel. Soms krijgen we ook aanbiedingen,” vertelt Hansje. “Maar we kiezen altijd werk dat bij onze winkel en sieraden past.”

De strakke en lichte winkel met hoge plafonds was ooit wel anders. Het Edese architectenbureau Synargio ontwierp het pand. “Dat ging eigenlijk in samenwerking met ons. En ook hier ging het om details en perfectie, ” vertelt Jaap terwijl hij trots laat zijn dat de bomen op het plein recht tegenover zijn deurposten staan en doorlopen als twee houten banen in de vloer. Als klopt bij Jorritsma, alles is mooi. Misschien dat die bomen dan toch echt binnen staan…

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s